Glossary – Vakbegrippen special transport
Een overzicht van veelgebruikte termen in het speciale transport en de opleggerindustrie – van A tot Z uitgelegd.
As
De roterende stang waarop de wielen van een oplegger zijn gemonteerd. Het aantal assen bepaalt mede het maximale laadvermogen en de aslast per as.
Aslast
Het gewicht dat door één as op het wegdek wordt uitgeoefend. In de EU geldt een maximum van 10 ton per as bij normale rijsnelheid. Overschrijding vereist een ontheffing.
Dolly
Een losse ondersteuningsas die achter een oplegger wordt gekoppeld om de laadlengte te vergroten of het gewicht over meer assen te verdelen.
Exceptioneel transport
Transport waarbij de afmetingen of het gewicht van de lading de wettelijke maxima overschrijdt (hoogte 4 m, breedte 2,55 m, lengte 18,75 m of gewicht 50 ton). Vereist een ontheffing van de RDW.
Gestuurde as
Een as waarbij de wielen actief of passief meedraaien met de rijrichting. Vergroot de wendbaarheid en vermindert bandenslitage. Beschikbaar als naloopgestuurd of hydraulisch gestuurd.
Hydraulische besturing
Stuursysteem waarbij de assen actief worden aangestuurd via een hydraulisch systeem, gekoppeld aan de stuurhoek van de trekker. Werkt zowel vooruit als bij achteruitrijden.
Kingpin
De stalen pen aan de voorzijde van een oplegger waarmee deze aan de koppelschotel van een trekker wordt bevestigd. Standaardmaat is 2 inch of 3,5 inch.
Laadhoogte
De afstand tussen het wegdek en de bovenkant van de laadvloer. Bepalend voor de maximale hoogte van de lading binnen de wettelijke transporthoogte van 4 meter.
Laadvermogen
Het maximale gewicht dat een oplegger mag vervoeren, exclusief het eigen gewicht van de oplegger. Ook wel payload of nuttig laadvermogen genoemd.
Luchtvering
Veersysteem waarbij de oplegger op luchtkussens rust in plaats van op bladveren. Geeft een stabielere rijdynamiek en is schonend voor de lading.
Naloopbesturing
Passief stuursysteem waarbij de assen meedraaien op basis van wrijvingskrachten. Eenvoudig en onderhoudsarm, maar werkt niet bij achteruitrijden.
Ontheffing
Officiële toestemming van de RDW om met een voertuig te rijden dat de standaard afmetingen of gewichten overschrijdt. Vereist bij exceptioneel transport.
Oprijklep / oprijramp
Beweegbare ramp waarmee rijdend materieel op eigen kracht een oplegger op kan rijden. Beschikbaar als mechanisch klapmodel of hydraulisch bediend.
Pendulerende assen
Astype waarbij de linker- en rechterkant onafhankelijk van elkaar kunnen bewegen. Geeft meer stabiliteit op ongelijk terrein en hogere toegestane aslasten.
Tarra
Het eigen gewicht van een oplegger zonder lading. Het laadvermogen is het verschil tussen het totale toegestane gewicht en de tarra.
Kuipdieplader
Speciale oplegger met een extra verdiepte laadvloer tussen de assen. Laadhoogte ca. 40-65 cm. Ideaal voor machines met een hoog rijprofiel of hoog zwaartepunt.
Twistlock
Vergrendelsysteem om zeecontainers vast te zetten op een oplegger. De twistlocks grijpen in de hoekstukken van een container.
Uitschuifbare oplegger
Oplegger waarbij de laadvloer in de lengte uitschuifbaar is. Beschikbaar als enkelvoudig (tot ca. 22 m), dubbel (tot ca. 30 m) of drievoudig uitschuifbaar (tot 36+ m).
Vlakke oplegger
Oplegger met een volledig vlakke, open laadvloer zonder zijwanden of dak. Kan van alle kanten worden beladen.
Wielkuip
Uitsparing in de laadvloer ter hoogte van de wielen van de lading. Verlaagt het effectieve laadprofiel zonder het chassis volledig te verdiepen.
Zwanenhals
Het gebogen voorste deel van een semi-dieplader dat de koppeling verbindt met de verlaagde laadvloer. Zorgt voor de lagere laadhoogte achter de koppeling.
Afneembare nek
Een zwanenhals die losgemaakt kan worden van het chassis van de oplegger. Maakt het laden van zeer hoge of zware machines aanzienlijk eenvoudiger doordat de lading van voren op de oplegger kan worden gereden of gehesen.
Bladvering
Traditioneel veersysteem waarbij stalen veerbladen de schokken opvangen. Robuust en eenvoudig in onderhoud, maar geeft minder rijcomfort en laadnauwkeurigheid dan luchtvering.
Breed transport
Transport waarbij de breedte van het voertuig inclusief lading de wettelijke maximumbreedte van 2,55 meter overschrijdt. Vereist een ontheffing en in veel gevallen een begeleidingsvoertuig.
CE-markering
Europese conformiteitsmarkering die aangeeft dat een oplegger voldoet aan de geldende Europese veiligheids- en technische normen. Verplicht voor opleggers die in de EU in gebruik worden genomen.
GVW (Gross Vehicle Weight)
Het totale toegestane gewicht van een voertuig inclusief lading, ook wel totaalgewicht of maximaal toelaatbaar gewicht (MTM) genoemd. In de EU geldt voor een standaard vrachtwagencombinatie een maximum van 40 tot 44 ton.
Gieksleuf
Een langwerpige uitsparing in de laadvloer van een oplegger, speciaal ontworpen voor de arm (giek) van een graafmachine. Maakt het mogelijk om de graafmachine met neergelaten arm te transporteren, wat de totale hoogte aanzienlijk verlaagt.
Payload
Engelse vakterm voor laadvermogen: het maximale gewicht aan lading dat een oplegger mag vervoeren. Veelgebruikt in internationale context en op technische specificatiebladen.
Pre-inspectie
Technische keuring van een gebruikte oplegger voorafgaand aan de verkoop. Bij Xiffix wordt elke oplegger voor verkoop onafhankelijk gekeurd en voorzien van een technisch rapport met de bevindingen.
Technisch rapport
Document met de bevindingen uit de pre-inspectie van een gebruikte oplegger. Geeft inzicht in de technische staat, eventuele gebreken en de resterende levensduur van onderdelen. Bij Xiffix standaard bij elk voertuig inbegrepen.
Tijdelijk kenteken / exportkenteken
Een tijdelijk kentekenbewijs waarmee een voertuig voor een beperkte periode legaal op de weg mag rijden. Wordt door Xiffix verzorgd voor buitenlandse kopers die een oplegger zelf ophalen of laten transporteren.
Trekpen
Alternatieve en veelgebruikte vakterm voor kingpin: de stalen pen waarmee een oplegger aan de koppelschotel van een trekker wordt bevestigd.
TÜV
Technischer Überwachungsverein – de Duitse instantie die voertuigen en technische installaties keurt. Het TÜV-keurmerk is het Duitse equivalent van de Nederlandse APK en is vereist voor voertuigen die in Duitsland op de weg rijden.
Wielbasis
De afstand tussen de voor- en achterste as van een oplegger of voertuigcombinatie. Een langere wielbasis geeft meer stabiliteit maar vermindert de wendbaarheid. Bepalend voor de berekening van de draaicirkel.
Koppelschotel
Het onderdeel op de trekker waarop de kingpin van de oplegger rust en vastklikt. De koppelschotel draagt het gewicht van de voorzijde van de oplegger en maakt het mogelijk de oplegger te koppelen en ontkoppelen.
Lierinstallatie
Een kabel- of kettinglier gemonteerd op de oplegger, waarmee voertuigen of machines die niet zelfrijdend zijn op de oplegger kunnen worden getrokken. Vaak gecombineerd met oprijkleppen op diepladers.
Oprijbaan / doorrijplateau
Een vlakke doorrijmogelijkheid van de achterzijde naar de voorzijde van de oplegger. Maakt het mogelijk om voertuigen of machines over de volledige lengte van de oplegger te rijden en optimaal te positioneren.
Sjorpunten / rondsteken
Bevestigingspunten verspreid over de laadvloer en het frame van de oplegger voor het vastsjorren van de lading. Het aantal en de capaciteit van de sjorpunten bepalen hoeveel en hoe zwaar de lading mag zijn die vastgezet kan worden.
Verbreder / uitschuifbare breedte
Uitbreidingsdelen aan de zijkanten van een oplegger waarmee de laadvloer breder gemaakt kan worden. Maakt het mogelijk om ladingen te vervoeren die breder zijn dan de standaardbreedte van de oplegger. Vereist bij gebruik een ontheffing als de totale breedte 2,55 m overschrijdt.

English
Deutsch